Bij een onderzoeksopdracht moet je niet alleen zelf gegevens en kennis zoeken, maar ook in staat zijn om kennis van anderen te zoeken, te kiezen en op de juiste manier toe te passen. Die kennis van anderen vind je in de literatuur. Theoretische- en vakliteratuur, zoals boeken, wetenschappelijke artikelen, vakbladen en bijvoorbeeld scripties van andere onderzoekers over een specifiek onderwerp of bedrijf.

Maar wat is de rol van die literatuur, en waar kun je die kennis gebruiken tijdens je opdracht?

We onderscheiden vier soorten kennis:

  1. Bewezen werkwijzen die in bepaalde situaties goed te gebruiken zijn.
  2. Afbeeldingen die een specifiek beeld geven van een bedrijfssituatie die je wilt analyseren. Kijk op managementmodellensite.nl.
  3. Veel voorkomende oorzaken voor problemen, die uit onderzoek naar voren zijn gekomen
  4. De meeste problemen in bedrijven zijn niet uniek, en daar wordt veel onderzoek naar gedaan, waaruit blijkt, dat voor sommige problemen in bepaalde situaties aantoonbaar werkende oplossingen al zijn bedacht en getest. Dat betekent dus dat je als onderzoeker niet opnieuw het wiel moet gaan uitvinden, maar gebruik moet maken van bestaande best practices.

In het onderstaande figuur wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende bijdragen vanuit de literatuur en de toepassingsgebieden in een praktijkopdracht.

De rechthoeken zijn onderdelen van je scriptie, de ovalen betreft de verschillende bijdragen vanuit de literatuur.

  1. Bijvoorbeeld DESTEP, Porter, Treacy & Wiersema, Ishikawa, etc.
  2. Bijvoorbeeld Kotter, Knoster, etc.

 

Toelichting

Wanneer je deelvragen gaat maken, een onderzoeksaanpak kiest, onderzoek gaat doen of een scriptie gaat schrijven, dan maak je voor methoden gebruik van je onderzoeksliteratuur, zoals boeken die door de opleiding zijn voorgeschreven, boeken die je zelf koopt, maar ook artikelen die je op internet kan vinden. In het laatste geval goed letten op de kwaliteit van je bronnen.

Voor het schrijven van een businesscase of het ontwerpen van een implementatieplan onderzoek je welke methodische aanpakken in jouw situatie zouden kunnen werken.

Modellen kunnen een relatie met je deelvragen hebben: welke modellen ga ik gebruiken om deze situatie te onderzoeken? Denk aan het model van Zeithaml (SERVQUAL) bij het onderzoeken van klanttevredenheid, het goalsettingsmodel van Locke en Latham bij het onderzoek van motivatie of het klokmodel van Looten bij het onderzoeken van de levensfase van je organisatie.

Modellen kunnen ook behulpzaam zijn bij het ontwikkelen van een voorlopig oorzaak-gevolgmodel. Denk aan het Ishikawa-diagram of interrelatiediagram.

Ook bij het analyseren van data kunnen modellen aan bod komen. Het OCAI-model om data omtrent cultuur te analyseren of de kennisspiraal van Nonaka om data omtrent organisatieleren in kaart te brengen of het model voor situationeel leiderschap om data omtrent leiderschapsontwikkeling te analyseren.

In geval van oorzaken kan je in de literatuur op zoek gaan naar veel voorkomende oorzaken. Gebruik hiervoor vooral specifieke vakliteratuur. In een artikel als ‘Het veranderingsvermogen van organisaties‘ wordt bijvoorbeeld beschreven waarom organisaties er niet in slagen om complexe veranderingen door te voeren.

Hetzelfde geldt voor oplossingen. Welke oplossingen hebben anderen al bedacht en onderzocht voor soortgelijke situaties? Zo wordt in het artikel ‘Samenwerken in een team‘ beschreven hoe teams effectiever kunnen functioneren.

Dit alles bij elkaar betekent dus dat je op verschillende plekken in je rapport of afstudeerscriptie literatuur kan opnemen. Maar bij voorkeur werken we met een theoretisch kader en/of een literatuuronderzoek.

Geef een reactie