In dit artikel bespreken we de onderdelen van een praktijkopdracht, aan de hand van bovenstaande afbeelding.

Lees de afbeelding door de nummers van de blokjes te volgen:

  1. De opdracht begint met het bedrijf. Daarbij moet je vaststellen of het gaat om een probleem van het hele bedrijf (klanten zijn ontevreden) of over een afdeling of proces van het bedrijf (doorlooptijd van klachten is te lang). Daarmee bepaal je de plaats van de opdracht en de locatie van het probleem.
  2. Dat bedrijf zal normaal gesproken bepaalde strategische doelen hebben, waarop de werkzaamheden zijn gericht. Dus men wil bijvoorbeeld tevreden klanten, een gezonde financiële toestand, nieuwe producten of diensten ontwikkelen of iets anders. Het vaststellen van deze bedrijfsdoelen is van belang voor de strategische relevantie van de opdracht. Het bedrijf en de doelen van dat bedrijf vormen de context van het probleem dat moet worden aangepakt.  
  3. Dat probleem moet in het Plan van Aanpak worden vertaald in een probleemstelling om daarmee een probleem methodisch te kunnen aanpakken. Het is aan te raden om een veldprobleem zoals dat wordt aangedragen door een opdrachtgever uit te drukken in een prestatie die niet wordt behaald. Je ziet dat een prestatie relevant is als deze een negatief effect heeft op de bedrijfsdoelen die daardoor worden geraakt. Dus dan wordt een lange doorlooptijd van klachten belangrijk als die ten koste gaat van de klanttevredenheid, wat een strategische doelstelling van het bedrijf is. Prestaties hebben over het algemeen te maken met factoren als tijd, geld of kwaliteit (het duurt te lang, het is te duur of levert te weinig op, of het is niet goed)
  4. Het gedefinieerde probleem geeft richting aan de doelstelling van de opdracht. De doelstelling zal moeten bestaan uit dezelfde prestatie als de probleemstelling, maar dan beter. Dus als het probleem is dat iets te lang duurt, zal de doelstelling zijn om iets sneller te doen. En als het probleem de kwaliteit betreft zal de doelstelling ook over kwaliteit moeten gaan. Let op! De doelstelling van de opdracht is niet dezelfde is als de bedrijfsdoelstelling. Hij zal er wel aan moeten bijdragen!
  5. Als de student aan de gang gaat met de opdracht zal hij een beeld moeten opbouwen van de oorzaken van het probleem. Dat is de ongewenste situatie die leidt tot de onvoldoende prestaties.
  6. De student zal ook een oplossing voor het probleem moeten ontwikkelen of ontwerpen, waarin wordt vastgesteld wat de gewenste situatie zal moeten zijn. De situatie is gewenst omdat die moet gaan leiden tot het behalen van de doelstelling, de gewenste prestatie dus, die op zijn beurt moet bijdragen aan het behalen van de bedrijfsdoelen.
  7. Een ontwerp voor een oplossing zal moeten uitmonden in aanbevelingen. Wat moet er nu precies gebeuren om de gewenste doelstellingen te realiseren? Daarvoor zal de onderzoeker in kaart moeten brengen wat de verschillen zijn tussen de huidige situatie en de nieuwe. Dat onderzoek levert de lijst activiteiten die moeten worden uitgevoerd: opleiden, herinrichten, installeren etc.
  8. Naast de aanbevelingen, die aangeven wat er moet gebeuren is een implementatieplan nodig, waarin staat wie dat moeten gaan doen, wanneer dat moet gebeuren, wat de duur en de volgorde van de activiteiten is en wat de eventuele weerstand tegen de aanbevelingen zal zijn.

Als je al deze blokjes uiteindelijk gevuld hebt ben je in principe klaar met je opdracht. Maar om dat te doen moet je eerst onderzoek doen, oplossingen ontwikkelen en bedenken hoe die het beste kunnen worden ingevoerd.

Voordat je een onderzoek kunt doen moet je eerst een Plan van Aanpak maken, waarin je je onderzoek voorbereidt en een aantal keuzes maakt.

Geef een reactie